Het vernieuwde Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam.

Dankzij de nieuwbouw van Museum Boijmans Van Beuningen kunnen de oude en actuele kunst elkaar meer dan ooit overlappen en uitdagen. Het Vlaamse architectenbureau Robbrecht en Daem uit Gent heeft ongeveer 5000 vierkante meter nieuwe ruimte toegevoegd en ingevlochten in de bestaande bouw. Het gaat om tentoonstellingsruimte, een entree en binnenhof, een bibliotheek, kantoren, een prentenkabinet, werkplaatsen en depotruimte. Daarnaast is circa 1300 vierkante meter binnen het bestaande gebouw gerenoveerd en verbouwd. Op 10 mei 2003 werd het vernieuwde museum worden ingehuldigd door Burgemeester Yvo Opstelten van Rotterdam.

Historie

De nieuwbouw van Paul Robbrecht (1950) en Hilde Daem (1950) is de derde uitbreiding van het Museum Boijmans Van Beuningen, dat in zijn oorspronkelijke vorm tussen 1928 en 1935 is gerealiseerd naar ontwerp van de stadsarchitect Ad van der Steur (1893-1953). Het museum is één van de hoogtepunten van het Nederlandse traditionalisme en het belangrijkste werk van Van der Steur, een architect die een traditionalistische vormrepertoire combineerde met moderne constructietechnieken in gewapend beton en een aan de Beaux-Arts ontleende compositiemethode. Vooral in de uit lange assen samengestelde plattegrond is zijn schatplichtigheid aan de Beaux-Arts te zien.

Alexander Bodon (1906-1993) voegde tussen 1963 en 1972 aan de oostzijde een vleugel toe, die in ruimtelijke opzet volkomen modern is, maar waar tevens groot respect uit spreekt voor Van der Steurs traditionalistische meesterwerk. In 1991 realiseerde Hubert-Jan Henket (1940) het delicate Van Beuningen-De Vriesepaviljoen, dat als autonoom element tegen de zuidzijde van het museum is aangebouwd.

Spel met binnen- en buitenruimte

Door een vernuftig spel met binnen- en buitenruimte, transparantie en overlapping is een actueel museum ontstaan.

Het bureau Robbrecht en Daem heeft sinds 1996 gewerkt aan de nieuwste uitbreiding van het museum die het Bodongebouw aan drie zijden ‘omarmt’. Naast het imponerende en gelijktijdig verfijnde traditionalistische gebouw van Van der Steur hebben Robbrecht en Daem een architectuur geplaatst die haar kracht ontleent aan de subtiliteiten van de essentiële eenvoud, met rechthoekige vormen en ruimten, eenvoudige materialen als beton en glas en tot een minimum teruggebrachte details.

Van der Steurs museum bevatte een gesloten binnenhof en een buitenhof dat aan één zijde open was. De uitbreiding van Alexander Bodon sloot deze buitenhof af en maakte er een tweede binnenhof van. Deze tweede hof heeft lange tijd gefungeerd als dienstingang, maar is door Robbrecht en Daem gepromoveerd door er de nieuwe hoofdentree te situeren. Het hof is, ingericht als beeldenplein, bovendien stedelijk publiek domein geworden.

Deze binnenhoven van het museum zijn als conceptueel uitgangspunt genomen voor de nieuwbouw. Paul Robbrecht omschrijft Museum Boijmans Van Beuningen met de binnenplaatsen als een abdij-achtig complex. De uitbreiding van Bodon heeft hij opgevat als een derde, overdekte binnenplaats, die nu aan drie zijden door de nieuwbouw is omgeven. Het is een aanknopingspunt om het nieuwe een vanzelfsprekende voortzetting te laten zijn van het bestaande. Deze hechte relatie tussen bestaand en nieuw wordt verder versterkt door een tweede monumentale trap die Robbrecht en Daem hebben gecreëerd. Op het punt waar de architectuur van Van der Steur, Bodon en Robbrecht en Daem samenkomen is zo een antwoord vormgegeven op de zeventiende-eeuwse houten trap in het gebouw van Van der Steur. Het onderstreept dat Robbrecht en Daem met hun uitbreiding de specifieke kwaliteiten van het museumgebouw hebben willen bestendigen. Aan het binnenhof is de nieuwbouw twaalf meter breed, aan de Mathenesserlaan negen meter, en aan de oostzijde, achter de Westersingel vijf meter. Deze uitbreiding tot aan de Westersingel geeft het museum ook een urbane functie: het is onderdeel geworden van het centrum van Rotterdam.

Transparantie

Op de kop van de vleugel aan de Westersingel ligt, duidelijk zichtbaar vanaf de straat de hoge ruime bibliotheek, die is gebouwd op een kelder waarin zich het boekendepot bevindt.

Door de gevel in deze vleugel te openen naar de Westersingel en de Mathenesserlaan wordt benadrukt dat het museum geen gesloten schatkamer meer is waarin de kunst is afgescheiden van de buitenwereld, zoals Van der Steur die oorspronkelijk heeft gemaakt. Als scherm en filter tussen de kunst en de stad zijn voor delen van de gevels grote platen kathedraalglas aangebracht, dik glas met een oneffen oppervlak, dat wel licht doorlaat, maar niet transparant is. Dit kathedraalglas schermt ook de grote raampartijen gedeeltelijk af.

Indeling

Op de begane grond van de nieuwbouw bevinden zich aan het binnenhof de entree, aan de straatzijde ligt de bibliotheek (waarvoor de voorbouw die Bodon in 1990 heeft toegevoegd, moest wijken) en aan de oostzijde zijn de werkplaatsen ondergebracht. De begane grond in het Bodongebouw is getransformeerd tot Digitaal Depot, waar stukken uit de collectie op een interactieve wijze bekeken kunnen worden.

Op de eerste verdieping bestaan de drie vleugels rondom het Bodon-gebouw uit tentoonstellingsruimten voor een selectie uit de moderne en hedendaagse kunst. In elke vleugel zijn de ruimten anders van vorm, lichtinval en sfeer. Op de verdiepingen daarboven bevinden zich kantoren die zo zijn ontworpen dat indien nodig in de toekomst, ze relatief eenvoudig in expositieruimte kunnen worden veranderd. De eerste verdieping van Bodon is onveranderd en blijft in gebruik voor tijdelijke tentoonstellingen.

Robbrecht en Daem

Paul Robbrecht en Hilde Daem hebben sinds 1975 een aanzienlijk oeuvre gerealiseerd, dat behalve uit verschillende woonhuizen onder bestaat meer uit het Concertgebouw in Brugge (2001) en de verbouwing van De Katoen Natie in Antwerpen (1991-2001).  Robbrecht en Daem hebben een intensieve betrekking met hedendaagse beeldende kunst, door de verschillende tentoonstellingsgebouwen die zij hebben ontworpen, waaronder het Aue-paviljoen voor de negende Documenta (1992)in Kassel, dat tegenwoordig als De Paviljoenen in Almere wordt hergebruikt, het museum voor de privé-collectie Hauser en Wirth in Sankt Gallen (2000) en verschillende tentoonstellingsinrichtingen en installaties. Daarnaast hebben ze in diverse projecten samengewerkt met kunstenaars, onder wie Gerhard Richter, Juan Muñoz, Cristina Iglesias en Isa Gensken.